
Het boek Poetins tsaristische droom van de Nederlandse hoogleraar Beatrice de Graaf en de Nederlandse Ruslandexpert Niels Drost probeert een wetenschappelijke indruk te maken: het gaat om een “onderzoek” waarvan de methode wordt toegelicht, er is een lange lijst voetnoten met bronvermeldingen en verwijzingen naar vakliteratuur, en ook de uitgangspunten van het onderzoek worden geëxpliciteerd. Maar daar beginnen meteen de problemen…
De auteurs distantiëren zich van bepaalde benaderingen van hun onderwerp, dat de oorlog van Rusland tegen Oekraïne als vertrekpunt heeft. Zij vinden “dat er soms nog te veel focus ligt op de simplistische uitleg dat de oorlog ‘de schuld van de NAVO’ zou zijn” en “dat er in Nederland sprake is van ‘geo-ideologische’ ongeletterdheid, dat wil zeggen dat er in de publieke opinie in Nederland soms wel erg weinig aandacht is voor de dimensie van ideologie in de internationale betrekkingen”. (p. 13)
Zij zetten zich af tegen “de simplistische verhalen die de ronde doen en die de oorlog tegen Oekraïne enkel vanuit het perspectief van de school van het machtsrealisme proberen te verklaren; een stroming in de internationale betrekkingen die de macht van staten en hun eigenbelang centraal stelt. In dat perspectief ligt de nadruk op de Verenigde Staten, de NAVO, en op de gedane en al dan niet gebroken beloften van staatsleiders als de Duitse kanselier Helmut Kohl en de Amerikaanse president George H.W. Bush.” (p.13)
Het primaat van de ideologie en van de persoon van Poetin
“Volgens wetenschappers zoals John J. Mearsheimer gaat het Poetin om zijn ‘terechte veiligheidszorgen’ en dragen ‘de Verenigde Staten en hun Europese bondgenoten de meeste verantwoordelijkheid voor de ‘crisis’. (…) In die uitleg zijn Rusland en Poetin als zielige objecten niet meer dan een speelbal van westers imperialisme. Het nadeel is dat in deze weergave Poetin geen historische actor is, en er niet wordt gekeken naar wat hij zelf voor acties heeft ondernomen (voorafgaand en los van de NAVO-uitbreiding en vermeende westerse bedreiging). In dit boek zullen wij Poetin daarom zelf centraal zetten, met als basis zijn eigen uitlatingen en handelingen (…).” (p.14)
Tegenover de afgewezen geopolitieke benadering van het conflict tussen Rusland en Oekraïne stellen de auteurs de “geo-ideologische”, die inhoudt “dat internationale politiek en internationale betrekkingen wel degelijk ook een politiek-culturele en ideologische dimensie hebben” die “vaak te snel over het hoofd wordt gezien, of gereduceerd wordt tot façade voor simpele machtspolitiek.”
En: “dat is problematisch, want dan missen we het feit dat voor Poetin zijn (extreme) overtuigingen leidend zijn in het formuleren en uitrollen van zijn strategie.” Hier wordt dus uitgegaan van het primaat van de ideologie, het politieke machtsspel tussen staten is secundair.
Poetin: despoot en verliezer die Rusland naar de verdoemenis helpt
De auteurs kanten zich ook tegen “gerenommeerde wetenschappers” die “het soms niet zo nauw nemen met die historische feiten”. Die feiten zijn momenten uit de Russische geschiedenis waarin Rusland vocht met andere landen en die vaak zelf aanviel of bedreigde, en daarbij herhaaldelijk verloor, zoals de Poolse minister van buitenlandse zaken Radoslaw Sikorski in een toespraak voor de VN-Veiligheidsraad stelde. De auteurs citeren daaruit: “Rusland verloor de Krimoorlog, de Russo-Japanse oorlog, de Eerste Wereldoorlog, de slag om Warschau, in Afghanistan, en ook de Koude Oorlog.” En met instemming becommentariëren de auteurs: “Kortom Sikorski liet zien dat Poetins opgeblazen narratief van een onoverwinnelijk dan wel slecht behandeld Rusland heel makkelijk doorgeprikt kon worden. Poetin was geen prins, maar een despoot. Het was geen Vladimir de Grote, maar een Vladimir de Verliezer, die het Russische Rijk niet op weg naar het paradijs, maar op weg naar de verdoemenis aan het helpen was.”
Het gaat de auteurs hier niet gewoon om het doorprikken van het discours van Poetin, maar om het neerhalen van de Russische president als leugenaar en als een ramp voor Rusland. Die gerichtheid op de persoon van Poetin is gekoppeld aan een bewuste keuze inzake geschiedschrijving. Aansluitend bij de historicus Rik Peels die ervoor pleitte om het “first person perspective” te gebruiken in de geschiedschrijving en zo de “agency” van historische actoren centraal te stellen, concentreren De Graaf en Drost zich op de persoon, de denkbeelden en de beslissingen van Vladimir Poetin, met weglating van de geopolitieke context.
Via die persoonsgerichte benadering van de Russische politiek wordt geprobeerd Poetin op allerlei manieren in diskrediet te brengen. Het taalgebruik is er naar; denigrerend en criminaliserend: “Poetin en zijn trawanten” (p. 187). Maar ook de onderzoeksmethode is zo opgevat. Er wordt uitgegaan van de radicaliseringstheorie die doorgaans gebruikt wordt in de context van terroristische organisaties en hun leden. De Oekraïense kwestie is geen probleem van internationale relaties en machtsverhoudingen, maar van Russische radicalisering: “We laten zien hoe Poetins gebruik van voorbeelden en verhalen uit de Russische imperiale tsaristische geschiedenis en orthodoxie een persoonlijk en collectief proces van radicalisering voedden, en hoe dit uiteindelijk leidde tot de invasie van Oekraïne.” (p.21)
Poetin is wraakzuchtig en wil zijn tegenstanders vernietigen
Daarbij worden de zaken door de auteurs flink aangedikt. Over dat radicaliseringsproces lees je: “In de derde fase werden de tegenstanders gedemoniseerd, en werd hun vernietiging voorbereid.” (p.21) En over de vierde fase: “Poetin heeft een overkoepelend en apocalyptisch wraakscenario uitgerold, over Oekraïne, maar ook over zijn eigen samenleving.”
Dat is allemaal in strijd met de gematigde aanpak van de Oekraïense kwestie door de Russische president. Je moet maar terugdenken aan de diplomatische oplossing voor het probleem Oekraïne zoals die vastgelegd werd door het akkoord van Minsk II, dat door de VN bekrachtigd werd.
De twee problemen die Rusland in het geweer brachten, namelijk de kwestie van het NAVO-lidmaatschap van Oekraïne en de discriminatie van en agressie tegenover het Russischtalige deel van de Oekraïense bevolking door Kiev, werden elegant opgelost. Oekraïne zou geen NAVO-lid worden (overeenkomstig de oorspronkelijke versie van zijn grondwet die stelde dat de staat niet zou aansluiten bij enig politiek-militair blok en neutraliteit als basis had). En het probleem van de Russische taal zou geregeld worden door de sterk Russische Donbasprovincies een zekere, nog te preciseren, autonomie toe te kennen binnen het staatsbestel.
Geen afscheuring, geen annexatie. Helemaal niet “de honger naar uitbreiding van status en grondgebied van Rusland”. (p.94) Geen territoriale expansie van Rusland, maar wel een Belgische of Zwitserse oplossing waarbij taalgemeenschappen gerespecteerd worden zonder de eenheid van de staat aan te tasten.
Maar deze wijze oplossing werd door Kiev geweigerd. Het geweld dat het centrale bestuur ontketende tegen de protesterende Donbasprovincies leidde uiteindelijk tot de begrijpelijke en terechte Russische “bijzondere militaire operatie” toen dat geweld piekte en een slachting dreigde. Het was geen “aanvalsoorlog” zoals de gangbare ideologie dicteert, maar een ingreep in een al bestaande oorlog, de burgeroorlog van Kiev tegen Donetsk en Loehansk.
Deze toedracht van de zaak past niet bij het discours van Drost en De Graaf, en blijft dus onvermeld, net zoals de belangrijke rol van de NAVO-oorlog in Joegoslavië die duidelijk het optreden van Poetin inspireerde. De NAVO permitteerde zich een inval in een soevereine staat onder voorwendsel de Albanese minderheid, die als bedreigd werd voorgesteld, te moeten beschermen. Dat was een aanvalsoorlog tegen alle regels: er was geen instemming van de VN gevraagd, er werden burgerdoelwitten beschoten en burgerslachtoffers gemaakt om Joegoslavië murw te maken, en het ging om een inmenging in binnenlandse aangelegenheden van een soevereine staat. Is de NAVO daar ooit voor bestraft? Hebben lidstaten ontslag genomen omwille van de criminele activiteiten van de NAVO?
Wat de NAVO kan en mag, kan en mag Rusland uiteraard ook. Alleen pakte Poetin de zaken beter aan: de dissidente provincies van Oekraïne vroegen en kregen het lidmaatschap van de Russische Federatie, en meteen ontstond een situatie zoals bij toepassing van artikel 5 van het NAVO-statuut: de Russische Federatie kwam de nieuwe leden ter hulp in hun bedreigde situatie. De Westerse ideologie heeft het hier altijd over een aanvalsoorlog en over Russische agressie, wat ongepast en onjuist is, en Drost en De Graaf houden zich braafjes aan die ideologische mist.
De vredesgerichtheid van Poetin kwam ook tot uiting in het al vrij snel na de invasie van Oekraïne ontwikkelde vredesakkoord van Istanboel, dat door toedoen van het Westen (in de persoon van de Britse premier Johnson) getorpedeerd werd.
Ook dat wordt genegeerd door Drost en De Graaf, want hun stelling is dat er een interne radicalisering bij Poetin plaats vond die de oorzaak is van het militaire geweld in Oekraïne. Poetin is het probleem, en zijn persoonlijkheid en zijn ontwikkeling: zijn frustraties, zijn machtsdrang, zijn slecht karakter, zijn agressie, zijn persoonlijke radicalisering enz.
Dat wordt o.a. onderbouwd door het discours van Poetin over godsdienst en over het Russische verleden te analyseren. In de visie van de auteurs is het dat discours dat de Russische politiek aanstuurt. Dat Poetin een nuchter strategisch denkende bestuurder is die zijn beleid moet “verkopen” aan de bevolking en daartoe, zoals zoveel politieke leiders, een beroep doet op het nationale verleden en zijn prestaties en boegbeelden en op de godsdienst als verenigend element, is voor de beide wetenschappelijke onderzoekers geen overweging waard. Zij gaan er vanuit dat Poetins beleid gestuurd wordt door zijn visie op het nationale verleden (met name het tsarendom) en de orthodox-christelijke religiositeit.
Abnormaal
Eigenlijk is Poetin dus knettergek en een geradicaliseerde idioot: “Het ligt dan ook voor de hand om Poetins gecombineerde gebruik van de Russische geschiedenis en religie als een proces van religieus-historische radicalisering te duiden. Dat doen we ook, omdat op deze manier duidelijk wordt dat het ‘niet normaal’ is, maar een ‘radicaal’ proces. Dat is dus een proces dat juist niet in het teken van continuïteit met het voorgaande staat, maar dat een heel bepaalde richting in slaat: de richting van ultranationalistische, welhaast eschatologische demonisering van andersdenkenden, van tegenstanders die vijanden worden, en die moeten worden uitgeroeid. Door de theorie van radicalisering op Poetins speeches toe te passen, kiezen we ervoor het abnormale ervan te benadrukken, in tegenstelling tot Poetin, die juist wil suggereren dat wat hij voorstaat in lijn is met eerdere Russische ontwikkelingen.” (p.206)
Het is niet oninteressant, en voor een lezer uit een gelaïciseerd Westers land allicht bevreemdend of zelfs verbijsterend, te lezen hoe Poetin de godsdienst en het nationale verleden van Rusland gebruikt in zijn toespraken en teksten. Maar dat Drost en de Graaf uitpakken met een analyse van meer dan 11.000 teksten die digitaal met behulp van bepaalde trefwoorden zijn onderzocht, maakt hun boek nog niet tot wetenschap.
Linguïstisch gezien vergt het begrip van een taaluiting niet alleen het begrip van de woorden, maar ook van de doelgroep, de context en de intentie van de spreker of de auteur. Wat ben je ermee als je weet hoeveel keer Poetin tsaar Peter de Grote vermeldt en wanneer? De auteurs zeggen over hun onderzoek: “Zo konden we achterhalen over welke tsaar Poetin vaker sprak en welke gebeurtenissen uit de tijd van het Russische Rijk hij bijzonder graag aanhaalde. We kunnen zien wanneer en tegen wie hij over Peter de Grote begint, wat hij dan precies zegt, of het positieve, verbindende, inclusieve opmerkingen zijn, of dat de verwijzingen agressief zijn en gericht op het mobiliseren in de richvan daden, interventies, of een hard optreden.” (p.203) Mooi zo, maar word je daar wijzer van?
Een nachtmerrie
De politieke stootrichting van het onderzoek van de auteurs wordt duidelijk in een militante passage als deze: “Hebben we door dat Rusland de eigen bevolking en de nieuwe generatie systematisch aan het indoctrineren is met de missie van het Grote Russische Rijk dat een heilige strijd voert? En dat die indoctrinatie ook de drijvende kracht achter de uitbreiding van de active measures [de hybride oorlogsvoering via desinformatie en verdoken inmenging in de politiek van andere landen] in het Westen levert? Weerbaarheid betekent dus niet alleen militaire paraatheid. Het betekent ook dat we bij tijd en wijle zand strooien in de raderen van Poetins propagandamachine. Dat we luisteren naar de (weinige) dissidente stemmen uit Rusland en naar de waarschuwingen vanuit Oekraïne, Moldavië, Polen, de Baltische staten en andere landen die al eeuwen met Russische agressie te maken hebben. Dat we ook de active measures [de vaak geheime politieke oorlogsvoering via desinformatie en verborgen inmenging in andere staten] en heimelijke beïnvloedingspogingen in het Westen herkennen, veroordelen en daartegen optreden, het liefst gezamenlijk, als Europese tegenmacht. (…) Dat we dan ook vanuit Nederland en Europa die oppositionele stemmen in Rusland en in Oost-Europa versterken en elkaar blijven vertellen dat Poetins tsaristische droom niet meer is dan dat, een nachtmerrie waaruit iedereen het beste zo snel mogelijk kan ontwaken.” (p.197-198)
Dit is een totale miskenning van het feit dat Vladimir Poetin een strategische denker is, die (zeer terecht!) het machtsmonopolie van de VS ondergraaft en medearchitect is van de BRICS-formatie die een alternatief wil zijn voor de wereldorde onder Amerikaanse hegemonie. Dat is iets heel anders dan dromen van het herstel van de Russische politieke status onder tsaar Peter De Grote.
De wetenschap als camouflage van een politiek pamflet
Het als wetenschappelijk gefundeerd voorgestelde werk van de auteurs vervalt telkens weer in polemiek met andere wetenschappers, commentatoren of analisten. Nog een voorbeeld: “Wat ons opvalt, is dat sommige collega’s die overlopen van activistische, pacifistische of russofiele dan wel hevig anti-Amerikaanse sentimenten, hun kritische faculteiten en strategische analysezin volledig loslaten als het gaat om een beoordeling van Ruslands buitenlandse en veiligheidsbeleid” (p. 207).
Nochtans is een digitale analyse van de frequentie van bepaalde namen of termen in de teksten van Poetin géén voldoende bron om dat Russische beleid te kenmerken. Dat “wetenschappelijke” werk lijkt dan ook vooral te dienen als aanleiding om de vooroordelen van de auteurs over Rusland en over de oorlog in Oekraïne te kunnen verspreiden.
Woordjestellers als militaire strategen
Van de “wetenschappelijke” analyse van het historische en religieuze discours van Poetin stappen Drost en De Graaf overigens vlot over op de rol van ministers van defensie: “Van buitenaf lopen Poetins imago en zijn retoriek wel degelijk schade op wanneer de Russen geconfronteerd worden met onweerlegbare nederlagen, en de keiharde discrepanties zullen gaan voelen tussen de bombastische blufverhalen van het Kremlin en de kale feiten. Daarom is het opvoeren van de westerse steun aan Oekraïne, het leveren van degelijk afweergeschut, Patriots, drones en bij alle gevoel voor verhoudingen, ook middellange- en langeafstandswapens die in Rusland zelf kunnen worden ingezet, cruciaal. Die steun zal van zowel de VS als vanuit de EU moeten komen, en de komende jaren moeten worden volgehouden.” (p.191)
Een geleerd aandoende digitale analyse van een enorme massa teksten van Poetin blijkt vooral een wetenschappelijk blazoen voor een politiek pamflet op een terrein waarop de auteurs volkomen onbevoegd zijn, vermits zij duidelijk niet deskundig zijn in militaire zaken en de geopolitieke analyses en commentaren verwerpen en zo elk begrip van het conflict vermijden…
Poetins tsaristische droom, Geschiedenis als wapen in de Russische politiek, Uitgeverij Prometheus, 2026, 267 blz.